Schietgebedjes
Julie Smit, Lesvos, 28 februari 2026
(Smitaki's)
Wanneer er verdriet of spanningen het leven binnensluipen, is een
schietgebedje snel gedaan. Karl Marx zei: “Godsdienst is opium van
het volk“. Hij had gelijk: we kunnen regelmatig wel wat verdoving
gebruiken. Ik doe stiekem ook wel eens een schietgebedje, ook al
ben ik niet gelovig.
Vroeger werd de Griekse wereld vanaf de Olympos geregeerd door een
knappe verzameling goden die ieder hun eigen verantwoordelijkheid
hadden. Wanneer je vragen had over het weer, wendde je je tot Zeus
die als oppergod over aardse zaken heerste, en zijn vrouw Hera
bemoeide zich met huwelijken. Poseidon waakte over de zeeën,
Dionysos zorgde voor wijn en plezier en Demeter was voor de
landbouw. Zo was er voor elke vraag wel een god te vinden, van twaalf
grote goden, tot de wat minder bekende.
De goden hielpen de mensen wanneer ze zin hadden, want het waren
allesbehalve lieverdjes: soms deinsden ze er zelfs niet voor terug om
mensen in planten, dieren of sterren te veranderen. Zoek het verhaal
van de hyacint maar eens op. De Griekse mythologie kan dan wel een
aanlokkelijke wereld vol sprookjesachtige verhalen zijn, maar ik ben
toch blij dat ik niet bang hoef te zijn voor de wraak van bijvoorbeeld
Zeus, omdat ik ooit overmoedig was. Toch gaat mijn hart tekeer wanneer
hij zich weer eens lekker uitleeft met donder en bliksem. In de oude
wereld zou mijn kanker overigens wel als een straf van de goden zijn
bestempeld.
Sappho (ca. 630 – ca. 570 v.Chr.), de grote dichteres van Lesvos, had
een speciale relatie met Aphrodite, godin van de liefde, die ze maar
lastig bleef vallen met allerlei zielenroerselen. Alsof ze een vriendin
belde, riep ze regelmatig deze godin in haar gedichten aan voor hulp,
óf ze prees haar de hemel in om haar stroop om de mond te smeren. Een
enkele keer voelde Sappho zich genoodzaakt zich te wenden tot andere
goden, zoals tot Hera, die ze smeekte om haar broer Charaxos – een
wijnhandelaar die ver over de zeeën voer – heelhuids en met rijk
gevulde schepen terug op het eiland te brengen.
Ik hou wel van sterke vrouwen, zoals Aphrodite, maar voor genezing kan
ik me toch beter tot de ‘multitasking’ Apollo wenden die er voor heel
veel zaken was, onder andere voor schoonheid en perfectie, herders en
matrozen, maar ook tegen kwade krachten zoals kanker.
Hoe vaak Sappho de tempels bezocht die het eiland toen rijk was, is
niet bekend. Lesvos had diverse heilige plekken, waarvan Messa (tempel
voor Hera, Zeus en Dionysos) en Klopedi (Apollotempel) redelijk goed
bewaard zijn gebleven. Met een beetje fantasie zie je daar
priesteressen wanhopige burgers te woord staan. Mytilini stond bekend
om zijn heiligdom van Cybele en dat van Apollo, die overigens ook een
huis in Kapi en bij Mithymna had. Dionysos zetelde in Ayos Fokas. In
die allang vergane tempels werd niet alleen gebeden en gesmeekt, maar
ook feest gevierd. Sappho en andere schrijvers vermelden diverse
fameuze festivals die ter ere van de goden werden georganiseerd. De
schoonheidswedstrijden in de tempel van Messa waren beroemd, maar er
werd ook flink gedanst, muziek gemaakt, gezongen en soms gesport. En
natuurlijk gezopen.
Ik hoef niet naar de resten van die heiligdommen om bij de goden om
genezing te bedelen: daar geloof ik niet in en bovendien is die hele
godenwereld vergane glorie. Deze machthebbers zijn tegenwoordig
vervangen door een uitgebreid netwerk van heiligen. Die wonen in
kloosters en kerken, en elk dorp heeft een groot godshuis waar de
gelovigen hun devotie en zorgen kunnen neerleggen. Daarnaast is het
landschap van Lesvos vergeven van kleine kapelletjes, allemaal voor
zo’n heilige gebouwd.
Keuze te over, zou je denken, om voor mij een heilige te kiezen die
met mij begaan is. Maar ook in heiligen heb ik niet zo’n vertrouwen,
hoe sterk het geloof van de plaatselijke bevolking ook is, zoals in
aartsengel Michael in het Taxiarchisklooster bij Mandamados, die
regelmatig nog voor wonderen zorgt. Ik zou zijn zwarte icoon kunnen
gaan kussen en vragen of hij me kankervrij zou willen maken, maar ik
blijf toch pessimistisch. Ik hoef maar om me heen te kijken naar de
armoede op dit eiland, ook al staat er op elke hoek een kerkje om
een kruisteken te slaan.
Mocht ik echt geloven, dan vind ik hier op Lesvos een walhalla aan
heiligen die me eventueel zouden kunnen genezen. Ik zal wel hier en
daar een kaarsje gaan branden, ook al is het maar om een heilige te
eren. En te bedanken, want ik kan terugkijken op een mooi leven.
Een schietgebedje richting zo’n kerkje kost bovendien geen enkele
moeite. En een béétje opium helpt ...
Anti-kankersalade
Julie Smit, Lesvos, 16 maart 2026
(Smitaki's)
(Mariadistels)
Op Lesvos schieten de bloemen haast met explosieve kracht uit de aarde.
Elke lente is dat weer een ware belevenis, en zeker nu de winter zoveel
regen bracht, zijn de bloemen niet te tellen. Ze houden grote
samenscholingen in de olijfgaarden, ze geven massaal kleur aan de bermen,
en groene weilanden veranderen in bonte tapijten.
Dankzij de palliatieve bestralingen kan ik deze wonderlijke wereld nog een
keer aanschouwen en tuf ik met vrienden over het eiland, “ah” en “oh”
roepend, alsof ik niet al meer dan twintig maal van dit schitterende
schouwspel heb mogen genieten.
Nu de felgekleurde anemoontjes hun beste tijd hebben gehad, komen de
klaprozen. Stiekem kijk ik uit of er nog slaapbollen op het eiland zijn
overgebleven: de opiumpapaver (Papaver somniferum). Ooit groeide die
massaal in Griekenland, zeker ten tijde van Hippokrates (ca. 460 – 370
v.Chr.), die wist dat je opium kon oogsten uit deze bloemen om pijn te
verzachten. Nu zijn het grotendeels de grote klaprozen (Papaver rhoeas)
die de velden van Lesvos knalrood kleuren. Deze soort bezit weliswaar
een vergelijkbare stof als die van de opiumbollen, maar is lang niet zo
krachtig. Ik heb nog geen morfine nodig, dus ik hoef niet te gaan
experimenteren om nog wát verzachtende stof uit donderbloemen* te
krijgen.
Ook de affodillen (Asphodelus aestivus)** woekeren waar ze maar kunnen.
De Grieken fluisteren dat elke bloem voor een gevallen soldaat staat, en
ik vraag me af of hun uitbundigheid van dit voorjaar iets te maken zou
kunnen hebben met de oorlog die recentelijk door twee idioten is begonnen.
Minder opvallend maar ook welig tierend, zijn de mariadistels (Silybum
marianum), die – zo gaat de legende – zijn bevlekt met de moedermelk van
Maria toen ze halsoverkop met haar baby Jezus moest vluchten voor de
Romeinen. Affodillen zijn eetbaar maar niet smaakvol; mariadistels
daarentegen zijn dat wel. Vanwege hun stekelige bladen is het wat
bewerkelijk om ze klaar te maken, maar eenmaal gekookt en zacht krijgen
ze een delicate spinaziesmaak***. Ze hebben nóg een eigenschap waar ik
tegenwoordig in ben geïnteresseerd: ze maken een stof aan, silymarine,
die kan helpen in de kankerbestrijding.
Deze witgevlekte stekelplant blijkt niet de enige plant op Lesvos met
mogelijke antikanker-eigenschappen: ook extracten van rozemarijn,
peterselie, broccoli, selderij, tomaten, druiven, knoflook, saffraan,
rode ui en rode kool zweven in reageerbuisjes van de medische
laboratoria, in de hoop op een doorbraak.
Ik zal geen kuur meer vinden die de kanker voorgoed mijn lichaam uit
kan jagen. Er zijn heel wat niet officiële middeltjes die zeggen dat
wél te kunnen, maar daar geloof ik niet in. Ik berust in mijn lot.
Maar nu die hele plantenweelde de kop opsteekt en ik me verdiep in wat
die zoal voor de mens kan betekenen, vraag ik me af of ik toch maar
elke dag een portie mariadistels naar binnen moet werken, al mijn eten
met rozemarijn moet kruiden en of ik nog veel meer broccoli op mijn
bordje moet leggen.
Nu moet ik zeggen dat ik een fervent liefhebber ben van tomaten, die ik
‘s zomers in zowat elke maaltijd stop, net zoals ik gek ben op druiven,
saffraan, uien en knoflook. En toch heb ik kanker gekregen. Er wordt dan
ook nergens gegarandeerd dat deze planten echt helpen. Wetenschappers
zijn ermee bezig, zullen we maar zeggen.
Maar het knaagt aan me. En wanneer ik het rijtje antikanker-planten
doorneem, besef ik opeens dat een van mijn favoriete gerechten van deze
winter een interessante dosis antikanker-stoffen bevat.
In de zomer eet je choriatiki, de zogenaamde dorpssalade met tomaten,
komkommer, feta, uien en olijven. Wil je tomaten echter inzetten tegen
kanker, dan moet je dagelijks een flinke hoeveelheid gekóókte tomaten
tot je nemen. In de winter kun je een gemengde salade bestellen,
anamichti, waarin meestal geraspte rode en witte kool, wortel, rode ui
en groene sla zit. Vroeger goten de Grieken daar wat olijfolie en azijn
over, maar dit jaar hebben zelfs de meest afgelegen tavernes de
vinaigrette ontdekt, wat die salade nog meer smaak geeft. Vooral rode
kool en rode uien bevatten stoffen die sterk staan in de strijd tegen
die vermaledijde kankercellen. Strooi je er ook nog wat peterselie en
rozemarijn over, gegarneerd met wat broccoli, dan heb je een perfecte
antikanker-salade. Je kankervrij eten, dat zou toch wat zijn.