
BRIEF ARME KANT OVER KABINETSFORMATIE
Op
14 juli zond Joan Bulder, voorzitter van de Arme Kant van Nederland
/ EVA, een brief aan de toenmalige formateurs Rosenthal en Wallage.
Die brief is nog steeds actueel vanwege de voorstellen die daar in staan:
De Arme Kant van Nederland/EVA zet zich sinds haar oprichting in
1987 in voor armoedebestrijding. Omdat wij dezelfde problemen steeds
zien terugkeren, stellen wij het nieuw aantredende kabinet de
volgende punten voor.
1. Koppeling-plus
De koopkrachtontwikkeling rond het sociaal minimum blijft - na
afwisselend ontkoppeling en koppeling - al jaren sterk achter bij
die van de algemene loonontwikkeling. Juist in tijden van
economische neergang is het een test voor het sociale gehalte van
de samenleving hoe met de inkomens op het minimum wordt omgegaan.
De werkgroep stelt daarom voor de koppeling te handhaven en daar
bovenop de opgelopen achterstanden te compenseren door het sociaal
minimum elk jaar extra te verhogen.
2. Niet-gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen
Inkomens- en koopkrachtplaatjes gaan er van uit dat mensen alle
inkomensondersteuning benutten waar ze recht op hebben. De praktijk
van mensen op het minimum geeft echter een volstrekt ander beeld:
mensen komen hiermee lang niet volledig tot hun recht. Aanvullende
inkomensondersteuning bestaat uit vele tientallen regelingen, die op
landelijk en plaatselijk niveau aangevraagd moeten worden bij tal
van verschillende instanties. Mensen kennen niet alle mogelijkheden,
vinden de wegen niet, lo-pen tegen bureaucratische muren op, moeten
soms maandenlang wachten op besluiten. De onderbe-nutting van
regelingen is dan ook aanzienlijk. In de (kerkelijke)
anti-armoedebeweging komen wij dit probleem in alle toonaarden
tegen. Het is gebleken dat ook bij gemeenten die hun uiterste best
doen om zoveel mogelijk bekendheid te geven aan die regelingen, er
toch slechts een mager resultaat voor de minima is, terwijl de
uitvoeringskosten hoog zijn.
Wij stellen daarom voor om alle inkomensondersteunende regelingen
bij elkaar te halen en er per belastingplichtige één persoonlijk
budget van te maken.
De rijksoverheid beschikt middels de Belastingdienst over alle
inkomensgegevens van de burgers. Op basis van deze gegevens kan de
Belastingdienst de inkomenshoogte van de burgers vaststellen en
nagaan of mensen recht hebben op aanvullende inkomensvoorzieningen.
De minimanormen en -regelingen van alle gemeenten zijn bekend en
snel te checken via bestaande computerprogramma’s. Gemeenten, UWV en
SVB moeten nu veel menskracht en middelen inzetten om hun cliënten
met lage inkomens de voorzieningen te verstrekken, terwijl niet alle
minima bereikt worden. De gemeenten en uitvoeringsinstanties kunnen
hun budgetten voor inkomensondersteunende regelingen ter beschikking
stellen voor een centrale toets en verstrekking door de
Belastingdienst. Dit zal een enorme administra-tieve vereenvoudiging
en dus kostenbesparing betekenen, terwijl de minima maximaal bereikt
zullen worden.
3. Zorg en Arbeid
Eénoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen zijn verreweg
het meest en ook het vaakst langdurig afhankelijk van een inkomen
onder de armoedegrens. Opgroeien in een huishouden onder de
armoedegrens heeft grote gevolgen voor het leven en de
ontwikkelingskansen van kinderen.
Wij stellen daarom voor dat de wet Vazalo
(Voorzieningen Arbeid en Zorg Alleenstaande Ouders), die reeds in
maart 2008 door het Parlement is aangenomen, onmiddellijk en
onverkort wordt uitgevoerd.
Niet alleen zal dat de inkomenspositie van alleenstaande ouders
verbeteren, ook wordt daarmee on-derstreept hoe belangrijk het is
dat ouders (onbetaalde) zorg voor hun kinderen kunnen combineren met
(betaalde) arbeid.
Wij zijn van mening dat het belang van zorgtaken, waaronder ook de
mantelzorg, als waarde voor de samenleving, maar ook als fundament
voor onze economie niet genoeg benadrukt kan worden. Die waarde en
dat belang moeten ook vertaald worden in economische parameters en
meegewogen wor-den in (macro) economische analyses.
4. Schulden
Schulden vormen één van de grootste armoedeproblemen.
Schuldhulpverlening heeft een steviger juridische basis nodig. De
ingewikkeldheid van het huidige juridische systeem is de oorzaak van
veel bureaucratische chaos. Het huidige invorderingsrecht leidt tot
verpaupering, terwijl het bestaande faillissementsrecht daartegen
onvoldoende bescherming biedt voor particulieren. De
moraliteitstoets voor schuldsanering van particulieren (WSNP) is te
beperkend: de debiteur dient een betere bescherming te krijgen in
het invorderings- en insolventierecht. Het Nederlandse
faillissementsparadigma is louter ge-richt op een eerlijke verdeling
van de bezittingen van de failliet. Het Angelsaksische
faillissementsparadigma is mede gericht op een herstelmogelijkheid
van de failliet.
Wij stellen daarom een wijziging en aanpassing van het Nederlandse
faillissementsparadigma voor in de richting van het Angelsaksische
paradigma.
Dat zal veel besparingen opleveren in de bureaucratie en een veel
betere bescherming tegen verpaupering. De uitvoeringskosten zullen
dalen, terwijl een verbetering voor de positie van de minima
verwacht mag worden. Van een vereenvoudiging van de juridische
schuldregeling naar Engels model ver-wachten wij een
vergemakkelijking van de integrale schuldhulpverlening en een grote
besparing van maatschappelijke kosten.
5. Verarming en verrijking
Het is van belang om bij de inkomenspolitiek uit te gaan van het
begrip compensatie in plaats van het begrip gelijkheid. Het principe
dat de schouders die economisch het sterkste zijn, de zwaarste
lasten dragen, maakt de inkomensverdeling rechtvaardiger. De lasten
van de bezuinigingen, nodig om de schulden van de kredietcrisis en
de Eurolandencrisis op te lossen, dienen niet neergelegd te worden
bij de uitgaven voor sociale zekerheid, onderwijs en zorg.
De Arme Kant / EVA stelt daarom voor dat werknemers tot aan de grens van 110% van
het Wettelijk Minimumloon vrijgesteld worden van afdracht van de
premies sociale zekerheid.
Het voordeel hiervan is dat de uitvoering van de sociale zekerheid
eenvoudiger wordt, vooral bij flexibel werk en dat de bruto
arbeidskosten voor werkgevers lager worden.
Een aanvullend voorstel is dat binnen de (semi)publieke sector een
maximale inkomensgrens ingesteld wordt van bijvoorbeeld € 250.000,-
waaraan alle functies worden gerelateerd en dat de mogelijkheid tot
hypotheekrenteaftrek wordt afgeschaft voor hypotheken boven €
500.000.