
Over presteerders en verongelijkten
‘Een
regeerakkoord waarbij rechts Nederland zijn vingers zou
aflikken.'
Aldus de reactie van een teleurgestelde
VVD-voorman Marc Rutte bij het aanvankelijke mislukken van
de inmiddels opnieuw hervatte coalitieonderhandelingen met
CDA en PVV. Een uitglijder van een politicus die al te
gretig de nieuwe premier wil worden van alle Nederlanders?
Was het maar waar. De uitspraak getuigt van een op handen
zijnde opstand van presteerders. Deze worden hierin gesteund
door een massa van verongelijkten, die mogelijk al snel van
een koude kermis thuiskomen. Hoe om te gaan met een
maatschappij vol presteerders en verongelijkten?
De arrogantie van de presteerders
Met een regeerakkoord waarbij rechts Nederland zich de
vingers aflikt, steekt de beoogde premier Marc Rutte vol
overtuiging de presteerders een hart onder de riem: zij zijn
het die de welvaart bij elkaar brengen, hun verdiensten
worden erkend en ze hoeven niet bang te zijn dat de nieuwe
regering hen berooft van hun zuur verdiende geld en hun
moeizaam vergaarde of makkelijk geërfde rijkdom. Dat hart
onder de riem hebben ze nodig. De presteerders voelen zich
namelijk bedreigd en misbruikt door de groeiende schare van
verliezers, mensen die niets of in ieder geval te weinig
presteren en een beroep doen op staatszorg.
Geen lastenverzwaring, geen vermindering van de
hypotheekrenteaftrek, geen beperking van de mobiliteit. Dat
belemmert de presteerders en verziekt het prille economische
herstel. Wel ontkoppeling en verlaging van uitkeringen, wel
hogere eigen risico's en hogere huurlasten. Dat stimuleert
de verliezers zich meer in te spannen in plaats van
achterover te leunen op kosten van degenen die de welvaart
moeten verdienen in de samenleving. Na de gelijkmakerige
jaren van de belastingslurpende verzorgingsstaat gloort
eindelijk een samenleving die vrij baan geeft aan
presteerders: de prestatiemaatschappij.
De arrogantie van de presteerders is niet dat ze bogen op
de prestaties die ze leveren, want die leveren ze doorgaans
wel, maar dat ze deze prestaties presenteren als hun
individuele verdienste. Dat is een miskenning van de sociale
grondslag waarop verdiensten stoelen. Het is geen louter
individuele verdienste als mensen economisch succesvol zijn
en rijkdom verwerven. Prestatie is eerst en vooral een
sociaal gegeven. Bekwaamheid en rijkdom zijn slechts zeer
ten dele de persoonlijke verdienste van individuen. Ze zijn
veeleer het resultaat van een bepaalde ordening van de
samenleving. Cruijff kon uitgroeien tot een groot
presteerder op het terrein van voetbal, omdat het merendeel
van zijn leeftijdgenoten niet ging voetballen, maar op de
tribune ging zitten en Cruijff niet voor de voeten liep,
maar hem vanaf de tribune betaald toejuichte. Iets
soortgelijks kan gezegd worden van andere presteerders.
Daarom is het ook heel terecht dat de samenleving een claim
legt op de rijkdom die presteerders vergaren. Moderne
presteerders zijn losgeslagen van de sociale bases waarop
hun prestaties stoelen. Ze komen in verzet tegen wat zij
benoemen als de overtrokken gelijkmakerij van de
verzorgingsstaat.
De angst van de verongelijkten
Opmerkelijk genoeg worden de presteerders in hun verzet
gesteund door de groeiende groep van verongelijkten. Dat
zijn mensen die veel te danken hebben aan de
verzorgingsstaat, maar die de verworvenheden van dit bestel
zien afkalven. Het gaat om de groeiende groep mensen die
zich onzeker en ongelijker voelen, vanwege de groeiende
inkomensverschillen en die verongelijkt zijn omdat ze vinden
dat anderen die het niet verdienen wèl geholpen worden en
zij niet.
Vincent van Gogh, De Aardappeleters, 1885
Uit het onderzoek Huishoudens in de rode cijfers
blijkt dat eind 2008 minimaal 840.000 huishoudens in
Nederland kampen met problematische schulden of het risico
daarop. Nog eens 250.000 huishouden worstelen door
teruglopend inkomen in het huishouden met hun hypotheek. De
welvaart wordt precair. Die ontwikkeling doet zich niet
alleen voor aan de randen van de samenleving; ook
huishoudens in het centrum van de samenleving krijgen te
maken met onzekerheid en sociale kwetsbaarheid. Bij deze
huishoudens is nog geen sprake van armoede, marginalisering
en sociale uitsluiting, maar hun leven lijkt op een fragiel
kaartenhuis, dat bij de geringste schok of tegenslag in
elkaar zakt.
Steeds meer mensen krijgen te maken met ontwikkelingen
die hen angst inboezemen: de uitgaven (vooral de woonlasten)
stijgen, de inkomsten worden instabieler, het samenleven
wordt losser, de druk van zelfontplooiing en zelfpresentatie
neemt toe, de samenleving wordt complexer2). Deze
trends duwen mensen in de gevarenzone. Dat maakt mensen
angstig en tegelijk boos. Angstig om hun bestaanszekerheid
en boos op de overheid die deze bestaanszekerheid niet
langer kan garanderen. Zolang het goed ging wilden de
meesten niets van de overheid weten, maar nu het minder goed
gaat hebben ze behoefte aan voorzieningen die echter steeds
minder beschikbaar zijn na dertig jaar oorlog tegen de
verzorgingsstaat. Mensen vrezen dat ze afzakken naar het
kamp van de verliezers. Daar kunnen ze zich als
verongelijkten voegen bij de slachtoffers van de groeiende
ongelijkheid tussen rijk en arm. De verongelijkten keren
zich tegen de staat, omdat ze vinden dat deze alles en
iedereen steunt behalve hen. Een grote verzameling van
verongelijkten vindt zich momenteel terug bij de PVV. Het
cynische is dat deze partij de presteerders aan de macht
brengt die de verongelijkten nog verder zullen
verongelijken. Deze zullen snel van een koude kernmis thuis
komen als de sociale zekerheid nog verder wordt uitgekleed
en als sociale risico's nog meer worden geprivatiseerd.
Groei van de ongelijkheid
Omwille van een herstel van de arbeidsmarkt en uit
bezuinigingsoverwegingen wordt al decennialang van
verschillende zijden aangedrongen op een verlaging van de
uitkeringen. Mensen die noodgedwongen zijn aangewezen op een
uitkering komen daarmee in de knel en de zekerheidsgarantie
van de huidige verzorgingsstaat verliest aan
geloofwaardigheid. In 1963 werd de Algemene Bijstandswet
ingevoerd. Met een gegarandeerd inkomen op basis van deze
wet zijn jarenlang veel mensen gevrijwaard voor armoede. Die
situatie is intussen in haar tegendeel veranderd. Gaandeweg
merkten mensen dat de minimumgarantie van de sociale
zekerheid hen niet langer beschermde tegen armoede, maar
juist steeds meer een zekere weg ìn de armoede is geworden.
Sinds 1979 is de armoede in Nederland toegenomen van 4% tot
meer dan 10%. Voor een niet onbelangrijk deel is die toename
een gevolg van een overheidsbeleid dat is afgestemd op een
herstel van de economie en op het behoud van de sociale
zekerheid.
Daarmee wordt de vinger gelegd op een merkwaardige
tegenspraak in het sociaal beleid dat vanaf de jaren tachtig
van de vorige eeuw is gevoerd: om de verzorgingsstaat te
behouden wordt deze stap voor stap afgebroken. Het besef
begint nu door te dringen dat deze
afbreken-om-te-behouden-strategie niet werkt: er blijft op
de duur niets over! De voorzieningen zijn verminderd en de
uitkeringspercentages zijn verlaagd. Als percentage van het
bruto binnenlands product zijn de uitgaven voor de sociale
zekerheid in 25 jaar meer dan gehalveerd: van 19 naar 9
procent. Nog steeds wordt de boodschap verkondigd dat er
nieuwe maatregelen nodig zijn om de kosten van de sociale
zekerheid te beperken. Zo lang die boodschap wordt geloofd
zal de verrijking aan de ‘bovenkant' van de samenleving
toenemen en zal een versterkte groei van de
inkomensongelijkheid samengaan met een toenemende verarming
aan de ‘onderkant' van de samenleving.
De relatieve zekerheid van compensaties die de nationale
verzorgingsstaat bood, is stap voor stap vervangen door de
relatieve onzekerheid van kansen die een ieder moet zien te
bemachtigen en te benutten in de scherper wordende
concurrentieslag van de wereldmarkt. Dat is het speelveld
van de presteerders en het spel dat op dit veld gespeeld
wordt zorgt ervoor dat de bestaanszekerheid van mensen die
niet meekunnen stelselmatig wordt versmald en uitgehold.
Tegen deze ontwikkeling in doet zich een groei voor
persoonlijke solidariteit in de samenleving.
Geïndividualiseerde solidariteit
Voor iedereen en zeker voor armen is het hebben van een
netwerk erg belangrijk om problemen het hoofd te bieden. Via
dergelijke netwerken ontvangen mensen zorg, aandacht en
ondersteuning. In dit verband wordt vaak gesproken over
sociale cohesie en over informele zorg door
buurtorganisaties. Zeker in grotere dorpen of steden is niet
of nauwelijks sprake van sociale cohesie of
buurtorganisaties. Vaak wordt verondersteld dat er dan ook
geen sprake is van informele zorg. Dat is echter niet het
geval. Uit recent onderzoek blijkt dat het gebrek aan
buurtbinding niet tot gevolg heeft dat er geen hulp bestaat
tussen bewoners onderling. Buurtbewoners helpen
elkaar wel degelijk. Niet vanwege het gevoel samen een buurt
te vormen, want dat gevoel hebben mensen niet meer. Ze
helpen elkaar veeleer vanwege een persoonlijke relatie. Het
stimuleren van buurtverbondenheid is daarom niet de
aangewezen weg om informele zorg te stimuleren. Dat zal veel
gerichter en persoonlijker moeten gebeuren.
Drents stulpje - landschapstafereel ca. 1900
En dat gebeurt ook, steeds omvangrijker, onder meer in de
vorm van persoonlijke contacten in allerlei vormen van
maatjesprojecten. Dat zijn projecten waarin vrijwilligers
een-op-een worden gekoppeld aan iemand die op bepaalde
punten in het leven even een coach, mentor of maatje nodig
heeft. Het kan gaan om het leren van de Nederlandse taal, om
het bieden van emotionele steun, maar ook om hulp bij
zelfstandig wonen, of bijvoorbeeld het aangaan van sociale
contacten. Maatjes willen iets betekenen voor mensen, die in
moeilijke omstandigheden verkeren, geïsoleerd zijn geraakt
of hulp willen bij het maken van goede keuzes. Dit contact
is wederkerig: ook de mentor doet allerlei nieuwe ervaringen
op en geniet van het contact. Het maatje opent deuren,
verbreedt paden en is een steun voor de ander. Bij een
maatje staan menselijke kwaliteiten centraal zoals warmte,
tijd, nabijheid, respect, humor en begrip.
De vernieuwing van het sociale
Maakt de robuuste, maar anonieme en koude, solidariteit
van de verzorgingsstaat plaats voor een minder stevige, maar
wel meer persoonlijke en warmere solidariteit? Maakt
gerechtigheid plaats voor barmhartigheid? Barmhartigheid en
gerechtigheid staan dicht bij elkaar. Barmhartigheid is het
opkomen voor mensen die in nood zijn en lijden aan onrecht.
Dat opkomen kan gedaan worden door elk mens, in elke
situatie. Barmhartigheid betonen is overigens niet mateloos
en kent een grens, namelijk in de mate dat iemand een ander
kan helpen zonder er zelf aan onder door te gaan. De maat
van barmhartigheid wordt groter als twee mensen hun
inspanningen bundelen of als een groepje mensen dat doet.
Barmhartigheid kan ook een correctie zijn op gerechtigheid,
zoals neergelegd in wetgeving of instituties. Een mens kan
in nood komen door een wet of een instantie, en
barmhartigheid werkt daarin corrigerend. In het beleid is er
voor de hoogste gezagdrager ruimte om met barmhartigheid de
handhaving van de wet te corrigeren: discretionaire
bevoegdheid. Zie als voorbeeld de Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie, die in een individuele
situatie kan afwijken van de algemene lijn.
Gerechtigheid is werken aan veranderingen binnen de
structuur van een samenleving of gemeenschap op zodanige
wijze, dat het onrecht binnen die structuur niet meer
mogelijk is en mensen weer tot hun recht komen. Het is
barmhartigheid naar een maat vertaald waar allen aan
meedoen. Met andere woorden: zorgen voor een goede ordening
van de samenleving. Als deze ordening gaat haperen en er
gaten vallen in de structuren van de gerechtigheid, zijn er
mogelijk vanuit de samenleving werken van barmhartigheid
nodig om nieuwe structuren van gerechtigheid op het spoor te
komen.
Zijn vormen van geïndividualiseerde solidariteit
mogelijke aanzetten tot nieuwe structuren van gerechtigheid?
Zijn ze een teken dat de samenleving op zoek is naar een
economie van de barmhartigheid, een economie van de
edelmoedigheid, een economie van de gift? Groeit er vanuit
de samenleving een economie die niet stoelt op het presteren
voor zichzelf, maar die drijft op waardering en zelfachting
die mensen willen ontlenen aan wat ze doen voor anderen?
Ontmoeten presteerders, verongelijkten en tegenstanders van
deze beide groepen elkaar in vormen van geïndividualiseerde
solidariteit? Zou deze directe solidariteit, die mogelijk
zelfs gebruikt wordt om de oude verzorgingsstaat nog verder
af te breken, een eerste uitdrukking zijn van een economie
die anders is dan de economie van de presteerders? En kunnen
we daar als samenleving mee uit de voeten? Het zijn vragen
die mogelijk verwarring stichten en die daarom wellicht niet
geliefd zijn bij mensen die in actie willen komen tegen de
afbraak van de verzorgingsstaat. Voor mensen die in dialoog
willen met de presteerders en de verongelijkten kan het
nodig zijn deze vragen onder ogen te zien en er
toekomstgerichte antwoorden op te zoeken.
Dr. Raf Janssen (1945) studeerde sociologie en
promoveerde op een studie over de verarming van mens en
milieu. Hij was directeur van de Stichting Sjakuus en
mede-oprichter van de Sociale Alliantie, waarvan hij
secretaris is. Tevens is hij wethouder in de gemeente
Helden. Hij publiceert over armoede als sociaal probleem.
1) Onderzoek naar de omvang en achtergronden van huishoudens
met (een risico op) problematische schulden, uitgevoerd door
onderzoeksbureau Panteia in opdracht van het ministerie van
SZW, Zoetermeer, juli 2009
2) Voor een praktijkgerichte analyse - in beeld, woord en
geluid - van deze vijf maatschappelijke trends zie: Ellie
Smolenaars, Armoede Live!, Aksant, Amsterdam, 2008
3) Lilian Linders, De betekenis van nabijheid. Een onderzoek
naar informele zorg in een volksbuurt, Den Haag, 2009
4) Zie
http://www.oranjefonds.nl